Nederland beweegt richting een systeem van waterverdeling. Voor vakantieparken, campings en wellnessbedrijven heeft dat directe gevolgen – voor groei, exploitatie én de gastbeleving.
Het is niet langer de vraag óf Nederland een structureel drinkwatertekort krijgt, maar wanneer. En wie er dan nog onbeperkt toegang toe heeft.
Die conclusie komt niet van een actiegroep of klimaatlobbyist, maar van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), het onafhankelijke adviesorgaan dat het kabinet adviseert over ruimte en duurzaamheid. De boodschap is helder: het huidige systeem is niet ingericht op de schaarste die eraan komt.
Voor de recreatiesector – een bedrijfstak die draait op water – is dat een fundamenteel vraagstuk. Eén dat nog nauwelijks op de agenda staat.
Prioritering: recreatie staat onderaan
In tijden van droogte werkt Nederland met een wettelijke voorkeursvolgorde voor waterverdeling. Veiligheid gaat voor, dan drinkwater voor huishoudens, dan vitale sectoren. Recreatie valt daar buiten.
Dat betekent concreet: bij waterschaarste zijn zwembaden, irrigatie van golfbanen, groenonderhoud op parken en het vullen van spa-faciliteiten juridisch gezien laagste prioriteit. Niet omdat de sector onbelangrijk is, maar omdat het systeem zo is ingericht.
Zolang er geen tekort is, merkt niemand dat. Maar zodra het systeem onder druk komt te staan – en dat scenario nadert sneller dan de sector lijkt te beseffen – verandert de positie van recreatiebedrijven fundamenteel.
Groei stopt bij de watermeter
De impact is al zichtbaar bij nieuwe ontwikkelingen. Net zoals netcongestie investeringen in vastgoed en bedrijventerreinen blokkeert, en stikstof bouwprojecten jarenlang vertraagde, wordt water een nieuwe fysieke grens voor uitbreiding.
Een vakantiepark dat wil uitbreiden, een camping die sanitaire voorzieningen wil verbeteren, een wellnessresort dat een nieuw bad wil toevoegen: al deze plannen stuiten straks niet alleen op bestemmingsplannen en vergunningstrajecten, maar ook op de simpele vraag of er voldoende drinkwatercapaciteit beschikbaar is.
Geen capaciteit betekent geen vergunning. En geen vergunning betekent geen groei.
De exploitatie verandert mee
Ook voor bestaande bedrijven verandert het speelveld. Water zal niet alleen duurder worden – grootverbruikers worden al nadrukkelijker in beeld gebracht door waterbedrijven en toezichthouders – maar ook stuurbaarder. Denk aan differentieerde tarieven per seizoen, restricties op watergebruik in piekperiodes of verplichte rapportage voor bedrijven boven een bepaalde drempel.
De vergelijking met energie dringt zich op. Wat vijf tot tien jaar geleden nog een bijpost was op de exploitatiebegroting, is nu bepalend voor de levensvatbaarheid van een bedrijf. Water bevindt zich in dezelfde vroege fase van die transitie.
Sectoren die dat tijdig zien, kunnen zich aanpassen. Wie wacht tot het probleem urgent is, staat met de rug tegen de muur.
De gast merkt het – uiteindelijk het meest
Voor de gemiddelde gast is waterschaarste nu nog abstract. Maar de gevolgen worden zichtbaar in de beleving: minder weelderig groen in droge zomers, beperkingen in zwembaden of spa’s, hogere prijzen als gevolg van stijgende exploitatiekosten.
Juist in een sector waar beleving en omgeving het product zijn, is dat geen randkwestie. Een vakantiepark dat er verdroogd bij ligt, of een wellness die haar jacuzzi heeft moeten sluiten, verliest direct op de enige as die er echt toe doet: de gastervaring.
De overheid als verdeler, niet als facilitator
Hier ligt ook een bredere structuurvraag. De recreatiesector is afhankelijk van randvoorwaarden – water, netaansluiting, bereikbaarheid – die buiten de directe invloedssfeer van de ondernemer liggen. Die randvoorwaarden worden geregisseerd door overheden, waterschappen en netbeheerders.
Zolang die partijen de rol van facilitator spelen, is dat geen probleem. Maar bij schaarste verschuift die rol naar verdeler. En dat verandert de dynamiek fundamenteel: de ondernemer is niet langer afnemer van een vanzelfsprekende dienst, maar partij in een politiek-bestuurlijke afweging.
Wie in die afweging geen positie heeft opgebouwd – geen data over eigen watergebruik, geen relatie met regionale beleidsmakers, geen aantoonbaar duurzaamheidsprogramma – staat straks aan de zijlijn.
Wat de sector nu kan doen
De bedrijven die dit dossier serieus nemen, beginnen nu. Dat betekent: inzicht krijgen in het eigen watergebruik, investeren in waterbesparende technologie, en actief deelnemen aan regionale overlegstructuren rondom waterbeleid.
Het is dezelfde beweging die de energiesector vijf jaar geleden maakte. De bedrijven die toen vooruitliepen, zitten nu in een sterkere positie. Voor water geldt hetzelfde principe – met één verschil: water zit dichter op de kern van het product.
En dat maakt de urgentie groter dan bij energie ooit het geval was.