Rozen, diners en overnachtingen: de Zeeuwse Oase hervindt zichzelf

Tussen de rozenperkjes staat een bijenhotel, en ergens achter de cabins ruikt het naar houtvuur. De Zeeuwse Oase in Zeeland heeft de afgelopen vijf jaar een gedaantewisseling doorgemaakt die weinig te maken heeft met tuinontwerp. Waar de nadruk ooit lag op rozenproductie en tuinbezoek, draait de exploitatie nu om beleving in de breedste zin: terras overdag, restaurant en dansvloer ’s avonds, en overnachtingscabins voor wie langer wil blijven.

“We kozen bewust voor een minder strak geregisseerde tuin,” zegt floormanager Jennifer Haak. “Brandnetels en wilde begroeiing mogen er zijn. Dat past bij wat we willen zijn — geen showpark, maar een plek waar je tot rust komt.” Bijenkasten en eigen honingverkoop versterken dat karakter.

“Bezoekers komen er niet uitsluitend voor de tuin, maar ook voor de totale ervaring.”

De rozenkwekerij is nog altijd aanwezig, maar speelt een andere rol. Verkoop loopt het hele jaar, waarbij kenners juist in de wintermaanden hun slag slaan. Het bloeiseizoen, dat binnenkort start, blijft een ankerpunt in de programmering. Nieuw dit jaar is de Roosendag — gecombineerd met een tweedaags velddiner tussen de bloeiende perken. Een concept dat culinaire beleving direct aan de locatie koppelt.

De bezoekersmix verschuift opvallend. Jarenlang leunde de Zeeuwse Oase sterk op Duits toerisme. Inmiddels groeit het aandeel bezoekers uit de directe omgeving — Goes, Zierikzee — en die groep gedraagt zich anders: ze komen vaker terug en combineren meerdere functies in één bezoek.

Bruiloften, jubilea en besloten feesten vormen inmiddels de ruggengraat van de inkomsten. Tegelijk ontstaat een nieuwe gebruikslaag: bezoekers die de locatie overdag opzoeken als rustige werkplek. Niet als kantoor, maar als adempauze — een laptop op het terras, uitzicht op de rozen. Het parkkarakter verdwijnt daarin niet, maar krijgt een extra dimensie.

Het logiesaanbod sluit daarop aan. De vijf cabins en het tuinhuis zijn compact en hebben geen kookfaciliteiten — de nadruk ligt op sfeer en buitengebruik. Vuurplaatsen en buitenovens zijn geen bijzaak maar het hart van de verblijfservaring. Rond de jaarwisseling richt de locatie zich specifiek op hondenbezitters, een voorbeeld van de doelgerichte nichemarketing waarmee de Oase zich onderscheidt.

De organisatie is relatief klein: twee tuinspecialisten, een technisch medewerker en een flexibele horecastaf, aangevuld met parttimers en stagiaires van onder meer Scalda. Dat de exploitatie draaiende blijft, zegt iets over de efficiëntie van het model — maar ook over de arbeidsintensiteit van terreinen die deels op biodiversiteit draaien.

Wie de Zeeuwse Oase afzet tegen Bloemenpark Appeltern, ziet een fundamenteel verschil in positionering. Appeltern is een klassiek bezoekerspark; de Oase is een verblijfslocatie waarbij de tuin de decor vormt, niet het eindproduct. Dat onderscheid klinkt subtiel, maar bepaalt alles: de programmering, de inrichting, de doelgroepen.

Kanttekening: Concrete data over bezoekersaantallen en gebruik ontbreken. In een sector waarin datagedreven sturing standaard wordt, is dat een aandachtspunt — zowel voor de exploitant als voor externe beoordeling van het concept.

De Zeeuwse Oase laat zien hoe een traditionele agrarische functie kan uitgroeien tot een hybride economisch model. Niet het product staat centraal, maar de combinatie van sfeer, programmering en gebruik. Daarmee past de locatie in een bredere beweging waarbij grenzen tussen park, horeca en verblijf steeds minder vanzelfsprekend zijn — en dat is precies waar kansen liggen.