Zelfs de dieren in het Fabeltjesbos hadden maar één Praathuis nodig. De Nederlandse recreatie- en toerismesector heeft er inmiddels tientallen — en hakt, in tegenstelling tot Meneer de Uil, zelden een knoop door.
De recreatie- en toerismesector zit aan steeds meer tafels, maar staat politiek zelden bovenaan de agenda. Nederland kent platforms, brancheverenigingen, raden, kennisorganisaties en belangenbehartigers genoeg. Toch lijkt iedere nieuwe lobbystructuur vooral nieuw overleg op te leveren. Geen steviger beleid.
De gastvrijheidssector was in 2024 goed voor ruim 111 miljard euro aan toeristische bestedingen. Toerisme leverde volgens het ministerie van Economische Zaken 4 procent van het bruto binnenlands product en bood werk aan 771.000 mensen. Dat is 6,7 procent van de totale werkgelegenheid.
Je zou verwachten dat een sector met die omvang stevig is verankerd in het nationale economische, ruimtelijke en maatschappelijke beleid. De werkelijkheid is anders. Recreatie en toerisme moeten zich bij vrijwel iedere politieke discussie opnieuw bewijzen.
De sector is groot genoeg om belastinginkomsten op te leveren, maar kennelijk niet belangrijk genoeg om structureel als nationaal speerpunt te worden behandeld.
Veel tafels, weinig gewicht?
Aan belangenbehartigers ontbreekt het niet. Gastvrij Nederland vertegenwoordigt binnen VNO-NCW en MKB-Nederland verschillende branches uit de gastvrijheidssector. Destinatie Nederland treedt op als collectieve belangenbehartiger van destinatie- en citymarketingorganisaties. De Club van Elf behartigt de belangen van grote dagattracties. Daarnaast zijn onder meer Koninklijke Horeca Nederland, HISWA-RECRON, reisorganisaties, provinciale platforms en regionale samenwerkingsverbanden actief.
Elke organisatie heeft vanuit haar eigen achterban een logische functie. Een hotel heeft andere belangen dan een museum, een camping, een attractiepark of een destinatiemarketingorganisatie. Het probleem zit daarom niet in het bestaan van deze organisaties.
Het probleem ontstaat in de optelsom.
Iedere organisatie formuleert eigen speerpunten, schrijft eigen position papers, organiseert eigen bijeenkomsten en onderhoudt eigen politieke contacten. Vervolgens worden er weer overkoepelende platforms opgericht om al deze belangen bij elkaar te brengen.
Het gevolg is een bestuurlijke estafette. De ondernemer praat met de branchevereniging. De branchevereniging praat met het platform. Het platform praat met de landelijke raad. De landelijke raad praat met het ministerie. En het ministerie kondigt vervolgens een nieuwe dialoog, verkenning of agenda aan.
Iedereen is betrokken. Niemand is eindverantwoordelijk. Nederland telt inmiddels meer overlegtafels dan het Fabeltjesbos praathuizen had — en daar werden nog wél besluiten genomen.
Waarom moest een brief drie jaar wachten?
De gang van zaken rond de nieuwste Toerismebrief laat zien hoe beperkt het politieke gevoel van urgentie werkelijk is.
De Tweede Kamer vroeg in juni 2023 om een toerismebrief met een visie en plan van aanpak. Toen die brief uitbleef, moest de vaste Kamercommissie het ministerie in maart en juni 2026 opnieuw aan het verzoek herinneren. Pas op 30 juni 2026 werd de brief naar de Kamer gestuurd. De vertraging werd onder meer toegeschreven aan de kabinetswisseling.
Een sector die jaarlijks meer dan 111 miljard euro aan bestedingen vertegenwoordigt, moest dus ongeveer drie jaar wachten op een beleidsbrief waar de Kamer zelf om had gevraagd.
Dat zegt meer over de politieke positie van recreatie en toerisme dan honderd manifesten, congressen en netwerkbijeenkomsten bij elkaar.
Ook het commissiedebat over toerisme en recreatie van mei 2025 was illustratief. Bij aanvang waren slechts drie Kamerleden namens drie partijen aanwezig.
De sector lobbyt zich een slag in de rondte, maar de politieke zaal blijft opvallend leeg.
Is overleg het antwoord?
De Toerismebrief van juni 2026 formuleert drie brede thema’s: weerbaarheid, duurzaamheid en balans, en ondernemerschap en innovatie. Het ministerie kiest daarbij voor een kaderstellende en verbindende rol. NBTC wordt gepositioneerd als strategische kennis- en netwerkpartner. De Landelijke Raad voor Recreatie en Toerisme moet sectorbrede vraagstukken oppakken en oplossingsrichtingen formuleren.
Dat klinkt bestuurlijk zorgvuldig, maar het is vooral tekenend.
De oplossing voor een gebrek aan politieke prioriteit wordt opnieuw gezocht in kennisdeling, verbinding, samenwerking en overleg. Er wordt een architectuur gebouwd rondom het beleid, zonder dat duidelijk wordt welke partij verantwoordelijk is voor de daadwerkelijke uitvoering.
Er komen thema’s, partners, raden en oplossingsrichtingen. Maar waar zijn de harde keuzes?
Een structureel investeringsprogramma ontbreekt. Concrete doelstellingen voor bereikbaarheid, verduurzaming, innovatie en ondernemerslasten evenzeer. En de borging in de ruimtelijke ordening is nergens terug te vinden. De vraag die overblijft: welk ministerie wordt afgerekend wanneer de resultaten uitblijven?
Zolang die vraag onbeantwoord blijft, is recreatie en toerisme geen speerpunt. Dan is het vooral een onderwerp waarover veel wordt gesproken.
Is lobby een verdienmodel geworden?
Lobby kost geld. Daar is niets geheimzinnigs aan. Brancheorganisaties hebben medewerkers nodig, onderzoeken moeten worden betaald en belangenbehartigers moeten toegang hebben tot bestuurders en politici.
Maar rondom recreatie en toerisme is een institutioneel verdienmodel ontstaan van contributies, partnerschappen, congressen, onderzoeken, kennisprogramma’s en betaalde netwerkbijeenkomsten.
Ook dat hoeft niet verkeerd te zijn. Het wordt wel problematisch wanneer activiteit wordt verward met resultaat.
Een goedbezocht congres is nog geen beleidswijziging. Een position paper is nog geen investeringsbudget. Een gesprek met een minister is nog geen politieke doorbraak. En een foto van bestuurders aan een overlegtafel zegt niets over wat er na die bijeenkomst werkelijk verandert.
Organisaties hebben bovendien een natuurlijk belang bij continuïteit. Wanneer een probleem definitief wordt opgelost, verdwijnt ook een deel van de reden om erover te blijven vergaderen. Een ingewikkeld dossier levert daarentegen jarenlang bijeenkomsten, onderzoeken, projectgroepen en vervolgprogramma’s op.
Daardoor kan een systeem ontstaan waarin het organiseren van de lobby belangrijker wordt dan het winnen van de lobby.
Wat leert de btw-verhoging ons?
De verhoging van het btw-tarief op logies is misschien wel de duidelijkste werkelijkheidstest.
Ondanks de gezamenlijke lobby van branche- en belangenorganisaties geldt sinds 1 januari 2026 voor hotelovernachtingen, pensions en veel vormen van vakantieverblijf het algemene btw-tarief van 21 procent in plaats van 9 procent. Voor cultuur, media en sport werd de verhoging uiteindelijk teruggedraaid, maar voor logies bleef zij staan.
Dat is politiek gezien veelzeggend. Op het moment dat keuzes moesten worden gemaakt, bleek de verblijfssector onvoldoende gewicht te hebben om de maatregel van tafel te krijgen.
Hetzelfde patroon is zichtbaar bij ruimtegebruik, netcongestie, arbeidsmarkt, regeldruk en bereikbaarheid. Recreatie en toerisme worden voortdurend verbonden aan brede welvaart, leefbaarheid en gezondheid, maar krijgen bij de daadwerkelijke verdeling van ruimte en middelen zelden voorrang.
In de begroting van Economische Zaken voor 2026 is wel een bijdrage aan NBTC opgenomen voor onder meer bestemmingsmanagement, kennis, data, spreiding en internationale profilering. Een afzonderlijk, omvangrijk nationaal uitvoeringsprogramma voor de recreatie- en toerismesector is echter niet zichtbaar. Dat is geen bewijs dat het Rijk niets doet, maar wel een aanwijzing dat de sector nog altijd geen zelfstandige beleidsprioriteit vormt.