Er wordt gesproken. Niet meer dan dat. In de sector lopen gesprekken over de vraag of er ooit een Rijksvisie Recreatie & Toerisme zou moeten komen — een langgekoesterde wens bij velen, maar voorlopig niets anders dan een verkennend gesprek zonder besluit, zonder opdracht, zonder tijdlijn. Toch is dat precies de reden om er nu al over na te denken. Als zo’n visie er ooit komt, wat zou daar dan in moeten staan?
Hoe past recreatie in een land dat vol raakt?
Nederland wordt drukker. Er komen woningen bij, de energietransitie vraagt ruimte, landbouw verandert, natuur moet worden versterkt en water krijgt een steeds prominentere plek in de inrichting van het land. Ondertussen groeit de behoefte aan recreatie evenredig mee. Niet alleen omdat de bevolking toeneemt, maar ook omdat vrije tijd, gezondheid en een aantrekkelijke leefomgeving zwaarder gaan wegen in wat mensen van hun omgeving verwachten. De ruimte wordt schaarser, de claims op die ruimte alleen maar talrijker. Een Rijksvisie zou daar een antwoord op moeten geven. Hoe krijgt recreatie in dat speelveld een volwaardige plaats?
Sector, voorziening of ruimtelijke opgave?
Daaronder ligt een vraag die niet vrijblijvend is. Is recreatie een economische sector, een maatschappelijke voorziening, of een ruimtelijke opgave? Het is geen semantische kwestie. Het antwoord bepaalt welk ministerie de pen zou voeren, welk afwegingskader zou gelden, en welke prioriteit recreatie zou krijgen zodra ze moet concurreren met wonen, landbouw of energie. Een sector vraagt om marktbeleid. Een voorziening vraagt om publieke investering. Een ruimtelijke opgave vraagt om regie. Drie invalshoeken, drie heel verschillende visies — en niemand heeft tot nu toe gezegd welke kant het op zou moeten gaan.
Wat voegt het Rijk toe aan een bestuurlijk landschap dat al vol zit?
Nederland kent gemeenten, provincies, waterschappen, veiligheidsregio’s, natuurorganisaties en regionale samenwerkingsverbanden die stuk voor stuk al een rol spelen in de inrichting van de leefomgeving. Dat landschap is niet leeg. De vraag is dus niet alleen wát een Rijksvisie zou toevoegen, maar of ze samenhang zou scheppen of juist een extra bestuurslaag. Landelijke regie klinkt aantrekkelijk op papier. In de praktijk wordt het beleid gemaakt in de regio, door partijen die de lokale verhoudingen kennen. Een visie die daar niet bij aansluit, blijft een document. Een visie die dat wel doet, kan een instrument worden.
Kan recreatie ook onderdeel van de oplossing zijn?
Tot nu toe wordt recreatie vooral beschreven als iets dat meedingt naar ruimte — naast wonen, landbouw, energie en water. Maar die framing is niet compleet. Een park is ook waterberging. Een fietsroute langs een dijk is ook onderhoudspad. Een recreatiegebied naast een nieuwbouwwijk is ook de voorziening die die wijk leefbaar maakt. In krimpregio’s houdt een goed bezochte attractie soms de laatste horeca en werkgelegenheid overeind. Recreatie hoeft dus niet alleen ruimte te vragen — ze kan ook ruimte dubbel gebruiken, en daarmee andere opgaven mee helpen dragen. De vraag is of een Rijksvisie recreatie zo zou benaderen: niet als concurrent om schaarse hectares, maar als functie die meerdere opgaven tegelijk kan bedienen.
Wat zou dit betekenen voor wie moet investeren?
Voor ondernemers is de vraag minder abstract, maar niet minder urgent. Zou een Rijksvisie op termijn meer zekerheid bieden over investeringen en vergunningen? Zouden er nieuwe vormen van publiek-private samenwerking ontstaan? Of zou het vooral een strategisch document worden waarvan de gevolgen pas jaren later voelbaar zijn, wanneer de eerste ondernemers allang andere keuzes hebben gemaakt? Wie investeert, wil weten waar hij aan toe is. Een visie zonder uitvoeringsperspectief lost dat niet op.
Verandert een visie iets, of beschrijft ze alleen de werkelijkheid?
Hier wringt het misschien wel het meest. Een visie kan richting geven. Ze verandert niets aan de werkelijkheid. Dat gebeurt pas op het moment dat er keuzes worden gemaakt — en keuzes doen altijd pijn bij iemand. Welke ruimte zou recreatie moeten krijgen wanneer die botst met woningbouw? Welke investeringen zijn nodig om Nederland aantrekkelijk én toegankelijk te houden? En welke rol zouden provincies, gemeenten, ondernemers en DMO’s moeten krijgen bij de uitvoering, lang nadat de eerste gesprekken zijn afgerond en de aandacht alweer verschuift naar het volgende dossier?
Dat is het moment waarop visies meestal verstommen: bij de uitvoering, niet bij de presentatie. Als het al zover komt.
Waarom dit moment telt
Juist daarom is dit een interessant moment. Niet omdat er al een visie in de maak is, maar omdat de gesprekken erover nu beginnen. Wie nu de juiste vragen stelt, bepaalt vaak welke antwoorden er ooit gezocht worden — mocht het zover komen. Een Rijksvisie Recreatie & Toerisme bestaat nog niet. Misschien komt ze er nooit. Maar mocht dat gesprek serieus worden, dan begint het niet bij het document. Het begint bij de vraag die eraan voorafgaat.
Welke vraag vind jij dat in een eventuele Rijksvisie Recreatie & Toerisme in ieder geval beantwoord moet worden?